op Gepost in de categorie Interview

In het hart van de Utrechtse Heuvelrug staat een bijzonder renovatieproject op stapel. Yaike Dunselman, architect en een van de oprichters van 9graden architectuur, werkt in opdracht van SBI aan de duurzame vernieuwing van de hotelvleugels van een van de duurzaamste hotels van het land, die van Landgoed Zonheuvel.   

Een gesprek over cyclisch denken, gezonde materialen, en waarom architectuur ons weer moet leren ervaren waar we zijn. 

Wat is precies de opdracht voor deze verbouwing? 

“De focus ligt op de twee hotelvleugels die volledige worden gerenoveerd, van binnen tot buiten. De kamers zijn nu functioneel maar verouderd, en we willen ze niet alleen vernieuwen, maar ook verbeteren — qua comfort, uitstraling én duurzaamheid. Het gaat erom dat het gebouw weer aansluit bij zijn omgeving en bij de tijd waarin we nu leven.” 

Duurzaamheid speelt daarin een centrale rol. Hoe vertaalt jouw bureau dat naar de praktijk? 

“Wij werken vanuit een levensfilosofie waarin de mens en de aarde een gelijkwaardige plek krijgen. Architectuur is voor mij nooit een strijd tegen de natuur, maar een samenwerking ermee. Alles in de natuur bestaat in cycli; groeien, vergaan, hergebruik en vernieuwing. Dat principe nemen we mee in het ontwerp. We bouwen niet om iets eeuwig robuust te maken, maar om iets te creëren dat mee kan meebewegen, dat leeft door- en met zijn menselijke- en natuurlijke omgeving.” 

“Dat begint bij materiaalkeuze. We proberen  materialen toe te passen die natuurlijk, gezond en herbruikbaar  zijn. Als iets niet aan die criteria voldoet, stellen we de vraag: hoe dan wel? En hoe kan het alsnog met de aarde meebewegen, blijft het ook voor toekomstige generaties (her)bruikbaar?” 

Gebruik je daarbij ook lokale materialen vanuit duurzaamheid? 

“Dat zou ik geweldig vinden. Bij een eerder project in Zeist heb ik geprobeerd lokaal hout van de Heuvelrug te gebruiken. Dat bleek lastig, maar het is wel de richting waarin we blijven denken. Misschien lukt het deze keer. Ook voor isolatiematerialen onderzoeken we Nederlandse en regionale alternatieven. Zo proberen we de kringlopen zo klein mogelijk te maken.” 

Waar staan jullie nu in het ontwerpproces? 

“We hebben net de visiefase achter de rug, waarin we onderzochten wat haalbaar is. Nu werken we aan het voorlopig ontwerp, dat we deze maand (januari, red.) willen afronden. Daarna maken we het ontwerp definitief, zodat we medio 2026 een vergunning kunnen aanvragen. Als alles volgens plan verloopt, kunnen we in het tweede kwartaal van 2027 starten met de bouw.” 

“We voeren de verbouwing in drie fases uit, zodat het hotel open kan blijven. Elke fase duurt ongeveer acht maanden. Zo blijft de bedrijfsvoering op gang, terwijl we stapsgewijs totaal vernieuwde en toekomstbestendige hotelvleugels realiseren.” 

Wordt er in de plannen ook rekening gehouden met de ambities voor de rest van het gebouw? 

“Zeker. De hotelvleugels vormen een onderdeel van het geheel. We kijken dus ook naar de buitenschil, de aansluiting op het restaurant en hoe het totaal straks als één samenhangend gebouw gaat aanvoelen. Het is belangrijk dat het nieuwe niet te veel afsteekt tegen het oude. Tegelijk willen we flexibel blijven, zodat toekomstige uitbreidingen of aanpassingen nog mogelijk zijn.” 

Wat betekent voor jou ‘het meest duurzame gebouw’? 

“Het meest duurzame gebouw is niet datgene met de meeste installaties, maar datgene dat de minste installaties nodig heeft. De duurzaamheid zit niet in technologie, maar in de essentie van het gebouw zelf — hoe het ademt, is geïsoleerd, licht opvangt en warmte vasthoudt of buiten houdt. Installaties zijn vaak binnen vijftien jaar alweer verouderd, dat vraagt telkens weer om nieuwe investeringen. Een goed ontworpen gebouw houdt zichzelf in balans en is een investering voor een langere periode.” 

Je zegt vaak dat je vanuit een filosofie bouwt waarin de aarde centraal staat. Waar komt dat vandaan? 

“Mijn bureau bestaat al meer dan twintig jaar. In die tijd ben ik steeds meer gaan beseffen dat wij als architecten letterlijk aan de aarde bouwen — én eraan onttrekken. We dragen verantwoordelijkheid voor hoe mensen en omgeving elkaar beïnvloeden. Architectuur heeft mij inziens de opgave bewustzijn te creëren: over wat kwetsbaar is, wat verzorgd moet worden, en hoe we verbonden zijn met onze omgeving: een kwetsbaar organisme.” 

Zijn er projecten die je uit principe niet aanneemt? 

“Dat is een vraag die me steeds meer bezighoudt. Tot nu toe probeer ik in elk project het beste te realiseren, juist als anderen dat misschien niet zouden doen. Want als ik nee zeg, gebeurt het toch, en zonder de ambitie die ik erin leg. Maar ik merk wel dat ik steeds kritischer word. Ik heb moeite met opdrachtgevers die duurzaamheid vooral gebruiken als marketingbegrip. Het gaat mij om een houding, een houding die wij gezamenlijk in een opgave willen nastreven.”  

Hoe ervaar je de evolutie van duurzaamheid in de afgelopen twintig jaar? 

“Dat is een interessante paradox. Twintig jaar geleden had ik het gevoeld dat er een bewustzijn aan het ontstaan was voor gezond bouwen en bouwbiologie — en dat leeft nu minder, terwijl de urgentie juist groter is. Nu is de discussie verschoven naar techniek, CO₂-reductie en energieverbruik. Belangrijk, natuurlijk, maar het gevaar is dat duurzaamheid een rekenmodel wordt in plaats van een levenshouding. En dat is precies waar we iets zijn kwijtgeraakt.” 

“We compenseren hele matige gebouwen tegenwoordig met techniek. Nieuwbouwhuizen met op het noorden georiënteerde zonnepanelen— daar is een lijstje afgevinkt, dat is een symptoom van technische duurzaamheid, maar niet van werkelijke duurzaamheid. We moeten terug naar het begrijpen van de natuurlijke logica van bouwen.” 

Dat sluit aan bij de SDG’s – de Sustainable Development Goals waar SBI ook actief aan bijdraagt. Denk jij daar bewust in mee? 

“Niet in de zin dat we ze systematisch afvinken. Maar inhoudelijk wel. Het sociale aspect hoort er ook altijd bij: hoe raken we mensen, hoe creëren we plekken waar ze zich prettig en gezond voelen? Architectuur heeft de mogelijkheid een sociale bijdrage te leveren — het beïnvloedt ons gedrag en ons samenzijn. Dat maakt het ook zo’n krachtig middel voor verandering.” 

Je sprak laatst op een houtbouwcongres in Innsbruck, vertelde je. Wat trof je daar het meest? 

“Dat we ondanks alle mogelijkheden en techniek nog steeds worstelen met verbeeldingskracht, met fantasie! Veel processen lopen vast in regelgeving, inspraak, en financiële rekenmodellen . Veel lijkt gericht op behoud van comfort. Terwijl échte duurzaamheid vraagt dat we durven dromen. We moeten als vak terug durven denken in mogelijkheden — in hoe we willen dat de toekomstige wereld eruitziet, niet alleen in wat er nu ‘mag’ of waar ik mij nu comfortabel mee voel.” 

“Want laten we eerlijk zijn: we leven hier in het westen in een van de meest comfortabele samenlevingen ooit, maar de gebouwde wereld is tegelijk nog nooit zo lelijk geweest. Kijk naar de eindeloze industriegebieden vol blokkendozen. Daar gaan we niet wandelen in het weekend, daar doen we geen nieuwe levenskrachten op. Architectuur moet juist inspireren, verbinden – fantasie mogelijk maken.” 

Je hebt het vaak over ‘verbeelding’ en ‘gevoeligheid’ in architectuur. Wat bedoel je daarmee? 

“Dat we als mens bijna verleerd zijn om echt te zien en te voelen waar we zijn. Onze waarneming laten we ons afnemen door het beeldscherm, we navigeren via telefoons en schermen, niet meer via oriëntatiepunten in de stad. We raken afgestompt voor onze directe omgeving, terwijl die ons juist zoveel vertelt. Architectuur kan helpen om die gevoeligheid in de waarneming terug te brengen: door gebouwen te maken die aanraakbaar zijn, die een verhaal  vertellen, die weer zintuiglijk zijn.” 

“Een hotelkamer is wat dat betreft een kleine wereld op zich. Die moet enerzijds comfortabel zijn, maar anderzijds ook iets doen met je — een gevoel van rust en ontspanning geven, maar ook een interesse en verbondenheid met het bos buiten creëren. Het gaat om balans tussen binnen en buiten, omhulling en openheid.” 

Je werkt ook aan een bijzonder ziekenhuisproject in Bazel. Wat leer je daarvan dat je hier kunt toepassen? 

“Dat gezondheid in de natuur altijd draait om evenwicht, een balans, tussen tegenpolen. Heel simpel, we ademen in, we ademen uit. We zijn nooit eenzijdig! Bij alleen maar uitademen is gezondheid snel voorbij. Gezondheid is dus letterlijk in beweging, in balans. En dat geldt ook voor gebouwen. Architectuur moet binnen en buiten met elkaar verbinden; ze moet mensen aanspreken op hun binnenwereld én hun interesse in de wereld om hen heen.” 

“Toen we dat project ontwierpen, dacht ik: dit is wat architectuur eigenlijk hoort te doen –het leven, gezondheid ondersteunen. . Niet in de zin van alleen functionaliteit, maar in de zin van vitaliteit. Veel van wat we nu bouwen is te eenzijdig, te plat. En eenzijdigheid, dat is eigenlijk een vorm van ziekte.” 

Toch zie je ook voorbeelden van gebouwen waarin het organische terugkeert. Daar gloort toch hoop? 

“Zeker. Er gebeurt echt veel moois, vooral in houtbouw, circulair bouwen en met biobased materialen. Maar de mainstream architectuur — wat dagelijks onze leefomgeving bepaalt — is nog vaak hard, efficiënt en vervreemdend. Die moeten we opnieuw leren verzachten. Dat begint bij kijken, voelen, luisteren. Architectuur is geen los staand uiterlijk object, het is een ontmoeting tussen mens en omgeving. Dat wat we vanuit ons innerlijk vormgeven, staat als gebouwd object buiten ons in de wereld, maar werkt terug op ons fysiek, op ons welbevinden, op onze gezondheid etc.. ” 

“We bouwen de wereld zoals we hem willen voelen” 

Aan het eind van het gesprek blijft één boodschap hangen: duurzaamheid is geen los projectonderdeel, maar een houding. Voor Yaike betekent dat bouwen met besef van kwetsbaarheid, met respect voor cycli, en met het doel om mensen opnieuw te verbinden met hun omgeving. 

“Architectuur,” zegt hij, “kan de wereld helen — als we leren bouwen met verbeeldingskracht, zorg en liefde voor de aarde.” 

Dit is een artikel uit de Zonheuvel, winter 2026.